(c) 1986 ~ voor Nieuwsblad De Brug. 

Toon van de Ven schilderde de vele gezichten van dementie

‘Ga daar maar zitten’, zegt hij en wijst op een zwarte fauteuil achterin het atelier. Op een meter of drie van een grote schildersezel. Dan begint de film en trekt op de ezel een lange stoet gezichten voorbij.

Desintegrerende gelaatstrekken, uitlopers naar alle zijden. Meest herkenbaar zijn nog de ogen. Obsederende ogen waarachter werelden van leed, maar ook van ons onbekende vrolijkheid vermoed kunnen worden.

Een serie van ruim 100 schilderijen die Toon van de Ven uit Broekhuizen maakte naar aanleiding van wat hij zelf een van de meest aangrijpende ervaringen uit zijn leven vindt: het langzame afglijden van zijn moeder naar de ongrijpbare wereld van dementie.

Bij zijn bezoeken aan het verpleegtehuis waar ze het laatste jaar van haar leven verbleef, raakte Van de Ven zonder het aanvankelijk te beseffen meer en meer gefascineerd door de aldaar verpleegden. Mensen in verschillende stadia van de geestelijk verwarring die het ouder worden met zich mee kan brengen.

Tekst gaat verder onder illustratie.

Dit gezicht hangt nog steeds bij schrijver dezes boven de bank.


‘Blijkbaar werkt dan een deel van de hersens niet meer. Ze raken een rem kwijt, beheersen zich niet meer. Ik heb het idee dat hun eigenschappen meer naar boven komen.

Wie als kind kwaad werd op zijn moeder en dan met zijn bord begon te gooien, doet dat nu weer. Ze worden precies zoals ze vroeger waren. Wie vroeger zachtaardig was en volgzaam, die is nog lief.

Familieleden en bekenden vinden vaak dat iemand zo veranderd is, maar die zijn altijd afgegaan op iemands uitingen, niet op zijn eigenschappen. En dat is juist wat overblijft. De wezenlijke trekken.’

Maar dan toch niet in een toegankelijke vorm. En dat kun je van Van de Vens schilderijen ook wel zeggen. Het zijn geen hoofden uit het dagelijks leven, maar weergaves van een door de schilder ervaren essentie.

Als je ze op je in laat werken delen ze een gemoedstoestand toestand mede. Soms diepe isolatie, soms wezenloze vreugde. Het ene hoofd lijkt niet te begrijpen wat er gebeurt, een ander straalt een verzengende woede uit. Soms ook een onaardse rust.

Chinees

Het zijn geen geplande schilderijen. Je zou kunnen zeggen dat ze zichzelf naar  de oppervlakte werkten. ‘Mijn Oudste zoon interesseert zich voor China en zijn taal. Zo vielen me ineens de penseelstreken op waarmee die letters geschilderd worden. Ik dacht: hè dat is misschien iets voor mij. Ik had nog nooit met zo'n lange slepende penseel gewerkt en dat bleek ook heel ander werk op te hopen.in het begin leek het nog wel op Chinese karakters maar al snel werd het heel andere beelden.’

Het werk is een verrassing

‘Hiervoor heb ik een tijd magische stillevens geschilderd. Die zet je op en als je begint te werken weet je al precies wat Het gaat worden. Het is alleen nog een kwestie van schilderen. De schilderijen die ik nu maak komen spontaan.

Het werk is een verrassing, het verandert steeds, je weet nooit tevoren wat het wordt. Meer een zaadje wat groeit, het is afwachten wat voor bloemen het wordt.

Ik was al een tijd bezig zo te werken, toen er gezichten in verschenen en het duurde daarna nog wel even eer ik zelf in de gaten had dat ik die dementerende mensen aan het verwerken was’.

Geëmotioneerd bezig

'Dat moet me toch erg aangegrepen hebben. Honderd schilderijen, dat is toch wel een bezetenheid. Ik ben geëmotioneerd bezig geweest.

In het begin van het gesprek citeerde hij een uitspraak van een schrijver: 'Het hoogste wat de ene mens de andere aan kan doen, is hem onrustig maken'. Dat lijkt hier gebeurd te zijn.

Hij probeert over te brengen waarom. Vertelt over dingen die hij met zijn moeder meemaakte; dat je er mee kon zitten praten, opstond om naar de keuken te gaan en dat ze dan aan iemand anders vroeg: wie was die meneer?  

‘Ik denk dat ze het jaren geleden al aan heeft voelen komen. Ik hoop maar dat ze me vannacht komen halen, zei ze toen.'

Tekst gaat verder onder illustratie.

Een van de honderd gezichten.


‘Op het laatst wist ze niet eens meer of ze nog broers of zussen had. Wanneer iemand op bezoek kwam, was het een minuut later alweer vergeten. Je voelt je totaal machteloos als iemand in je omgeving dement wordt.

Onthielden ze maar eens iets, dan kon je ze nog bereiken. Maar dat lukt blijkbaar niet meer. Hoe kan dat? Is het slijtage? Waar heeft het mee te maken?

Ik denk dat het iets is met de cellen die nodig zijn om het heden vast te houden, dat die niet meer functioneren.

Veel van die mensen kunnen nog alles over vroeger vertellen maar van een uur geleden weten ze niets meer.

In het begin als mijn moeder ergens werd geweest en ze werd thuis gebracht zei ze hier woon ik niet. Ik woon in neer, dan had ze het dus over vroeger.'

In de steek gelaten

‘We hebben er over gedacht om haar hier in huis te nemen, maar dat was niet te doen. Je was dan met het hele gezin nergens anders meer mee bezig. Want ze was van nature al vrij veeleisend.

‘Het was toch wel een soort bezetenheid’

 

Ik had kennissen die ook een demente moeder hadden. Als die bezoek kreeg en dat ging weer weg zei ze: fijn dat jullie geweest zijn.

Mijn moeder zei in zo'n geval: ga je  nou al? Laat je mij weer in de steek?

Daarom heb ik ook enorm respect voor het personeel in zo'n verpleegtehuis. Je moet toch wel een heidens geduld hebben om met zoveel verschillende karaktertypes om te kunnen gaan. Vooral omdat ze zich extreem uiten.’

Het wezenlijke

Met die laatste opmerking komt hij terug op zijn observatie dat mensen in deze fase hun wezenlijke karaktereigenschappen tonen. Voor zover ze iets tonen, heet dat. Van de Ven: ’Sommigen zitten alleen maar stil. De hele dag op dezelfde plaats. Kijken je aan als een buitenaards wezen dat zelf ook niet weet wat het ziet. Anderen zitten je op zo'n manier te bekijken dat je denkt dadelijk vallen ze maar aan.'

Zelf hebben ze er misschien helemaal niet zo'n last van, opper ik. Misschien is het een vorm van zelfbescherming. Je helemaal in jezelf terugtrekken om niet echt gek te worden. Toon: 'Dat is nog maar de vraag, dat kun je zo niet zeggen.

Als je die blikken soms ziet, dat weggetrokken zijn uit de vertrouwde omgeving. Als iemand de hele dag in een stoel zit en op de leuning blijft slaan en alleen maar zegt: ik wil naar huis, dan geloof ik niet dat zo iemand zich prettig voelt.

Of als je op bezoek komt en iemand klampt je aan en smeekt: broeder help me, help me dat ik hier wegkom. Dat zet je toch aan het denken.

Als ik bij mijn moeder kwam merkte ik vaak dat ze helemaal blauwe polsen en handen had. Dan vraag je je af wat ze gedaan heeft. Maar 's nachts wordt de deur op slot gedaan en dan zit geen klink aan de binnenkant. Misschien heeft ze dan wel de hele nacht tegen de muur geslagen.'

Niet meer reëel

‘Toen ik een maand of vier regelmatig was gekomen, begon ik er een beetje aan te wennen koma sommigen zeiden je zelfs goeiendag, gingen je kennen. Het is een heel trieste bedoening, maar anderzijds ga je er op een gegeven moment toch van genieten kom hoe die types eruit zien, dat vind je nergens.

Ze hadden iets surrealistisch, waren niet meer echt reëel. Er ging een kinderlijke expressie vanuit, heel eigenaardig, want het zijn toch volwassen Mensen met een gezicht waar jij het leven aan afleest. En dan toch dat kinderlijke. Heel eigenaardig.’

Het echte karakter

Vertelt dan weer over de mensen die hij zag. Over het vrouwtje dat zwaar voorovergebogen de hele dag rondjes liep In de gang koma hand in hand met een al even oud vrouwtje dat zich juist extreem achterover buigend voor het bewoog. En elke keer als ze passeerden klonk het heel vriendelijk: goeiendag.

Over de vrouw die in haar jonge jaren nogal van haar charmes gebruik maakte en nu kon maar behoorlijk In de 80, nog steeds af en toe haar rok optilde als een man in In de buurt haar beviel. (’Het echte karakter komt eruit komen het aangeleerde kunnen ze niet meer bevatten.')

Of scènetjes zoals: ‘Heb je m'n man gezien?’ ’Nee.’ ‘Dat-ie ook maar verrekt, ik ga naar bed.’ Maar die man is natuurlijk al jaren dood.

Of die ingenieur die met zijn zakdoek de ingewikkeldste geometrische figuren construeert en die aan je probeert uit te leggen. ‘Ja, die hersens, dat is wat,’ reflecteert Van de Ven. ‘Die De schedel zit wel vast, maar jij gaat erin en eruit.’

Allemaal echt

Dan, proberend een algemeen beeld op te roepen van zijn ervaringen in het verpleegtehuis: 'Het heeft een fijne kant, Als je rustig alleen met zo iemand in een kamer zit. Iets kinderlijks. Niet te zijn op deze aarde, maar ook niet echt vanaf. Het is tragisch maar heeft iets fijns kom maar iets ongerept is. De mensen zijn meer puur geworden. Sommigen worden komisch, andere ook heel erg ontevreden. Maar allemaal echt.'

De pauzes in het gesprek worden langer. De blik trekt naar een schilderij aan de muur. Een van de serie waarin van de Ven probeert uit te drukken wat moeilijk in taal geformuleerd wordt. We kijken een worden stil.